in de zeediepte zweef je tussen rug en trog
met garnaalachtigen in het donker
langszij een spiraal drukt metaal
met mineraal al die tijd laag voor laag
schraapt de komkommer modder
terwijl je luistert traag naar wat daar fluistert
in duisternis tussen de bellen van je ademhaling
ontvlamt chemosynthese als een onvast licht
vermoed je ruimte voorzichtig in de vorm van water
vraag je om niets dan een verblijf
zonder dat je het begrijpt bewijst
een licht met zijn aanwezigheid
net als fijne sneeuw verterend
boven mangaanknollen eeuwenlang gerijpt
met een traagheid die modder heet
alles wat je vroeger deed kun je nu betwijfelen
wat in jou leeft als verlangen het ware kennen
zonder haast de taal ontwijkt
verschuift je oor naar een geheim
dat wacht op aandacht eindelijk vrij
waar de platen elkaar loslaten daar breekt aarde open
stijgt heet water omhoog uit barsten in de korst
weven wolken van ijzer en zwavel door het donker
rond een schoorsteen van gesteente wuift de rode pluim
van een reusachtige kokerworm die zwavel ademt
jazeker overgeleverd aan leven verweven tot één stroom
daaronder krioelt een zilvergrijze muur van onsterfelijke garnaal
die geen licht verwacht met zijn bleke ogen en het schijnsel
op zijn pantser van lichtgevende bacteriën met hun voedsel
terwijl de warmwatermossel zich opent en sluit als een rustige mond
of long die leeft op chemische energie opwellend uit de diepte
waar basalt zich vormt uit verzengend lava de bodem herschept
leven ontstaat tussen wezens in dunne draden van uitwisseling
een worden in aanraking zoals warmte mineralen meedraagt
bacteriematten als witte velden zingen waar eerst stilte was