Tuimelaar
Gelukkige hoedanigheid van onder de zeespiegel verblijven
of boven de wolken een stoffige veer de vogel vinden alles
verandert in de schemering verdwijnen opmerkingen
van de regen zinderende zon het gewicht de dingen meer
of minder is dat wat we leven noemen kleine witte bloemen
die tussen stenen groeien er genoeg herinnering voor een stroom
van dingen is samengebald tot een moment met dit beeld
of gevoel het gras dat wuift het riet zingt en water ruist alleen
in de taal van vogels of walvissen en stroomt net zo lang
als de lucht om bomen zich verliest in tijd en levens
in herinneringen onuitgenodigde feiten in aanwezigheid
van walvissen en vogels door het water gladgemaakte kiezels
kleuren waar het naartoe gaat dat je leeft en weet je verstrijkt
als alle betekenis op den duur je bewustzijn een korte zomer
uit Geluksbrenger (Querido, 2008)
in de zeediepte zweef je tussen rug en trog
met garnaalachtigen in het donker
langszij een spiraal drukt metaal
met mineraal al die tijd laag voor laag
schraapt de komkommer modder
terwijl je luistert traag naar wat daar fluistert
in duisternis tussen de bellen van je ademhaling
ontvlamt chemosynthese als een onvast licht
vermoed je ruimte voorzichtig in de vorm van water
vraag je om niets dan een verblijf
zonder dat je het begrijpt bewijst
een licht met zijn aanwezigheid
net als fijne sneeuw verterend
boven mangaanknollen eeuwenlang gerijpt
met een traagheid die modder heet
alles wat je vroeger deed kun je nu betwijfelen
wat in jou leeft als verlangen het ware kennen
zonder haast de taal ontwijkt
verschuift je oor naar een geheim
dat wacht op aandacht eindelijk vrij